Suum Cuique Tribuere Een liefdestragedie in twee delen

zoetewraakklein

Het volgende verhaaltje is fictief. Uiteraard.

PROLOOG.

Zomaar een gevangenis in zomaar een stad, ergens in de prille jaren van dit millennium. In deze gevangenis werkt Piet, een jongeman van rond de vijf- en dertig jaar, in de functie van systeembeheerder. Piet komt oorspronkelijk van het platteland maar heeft het best naar zijn zin in die grote stad.

Hij is op dat moment nog niet zo heel lang single en heeft het daar bij tijd en wijle nog best wel eens moeilijk mee. Maar naarmate de tijd verstrijkt gaat ’t steeds beter met hem; Piet smaakt al gauw de geneugten van het singlebestaan en krijgt -ongewild- de reputatie van een casanova.

Noem het naïef maar onze hoofdpersoon is hier niet van op de hoogte: hij heeft het naar zijn zin, lacht veel, werkt vaak en blijft verre van roddel en achterklap.

Op een dag kruist zijn pad zich met die van rondborstige collega Eva. Eva is een lust voor het oog maar behept met een bijzonder onplezierig karakter. Ze is kil, lijkt berekenend en geeft Piet een soort van unheimisch gevoel. Piet besluit dan ook om Eva zover en zoveel mogelijk uit de weg te gaan.

Principes hebben een beperkte houdbaarheid, naar blijkt, en zo is daar ineens zo’n situatie waarin Eva niet zo heel kil en berekenend lijkt en Piet niet zo heel erg paranoia.

Eva is die dag vrolijk, heeft een twinkeling in haar ogen en lijkt bijzonder ontspannen.

Zij heeft zichzelf de rol van matchmaker aangemeten en vind dat Piet maar eens aan de vrouw moet. Want Karin, Eva’s hartsvriendin en eveneens ‘alleen’, is relatiemateriaal en ongetwijfeld iets voor Piet. Piet, ook niet in een onaardige bui, gaat mee in haar enthousiasme en zo worden er al fluks mailadressen uitgewisseld.

Enkele weken later, onze Piet heeft inmiddels contact gehad met Karin en dat contact is niet goed verlopen. Eerst kort via de MSN, daarna via de telefoon. Wat ontbreekt is chemie. Met haar lachen kan hij niet, er zijn geen raakvlakken en in Piet’s ogen lijkt Karin net iets te hard op zoek te zijn naar ‘die ene ware’.

Dat kan, dat gebeurt ons allemaal wel eens, maar in Piet’s specifieke geval is dit op de verkeerde tijd met de verkeerde persoon. Exit Karin.

Eva is furieus. Waarom niet met haar uitgegaan? Waarom niet vaker gebeld? Gemaild? Waarom niet dit en waarom niet dat?

Piet’s argumenten doen er niet toe. Eva besluit om hier een issue van te maken want hààr reputatie staat op het spel en dat vervolgens de komende jaren vol te houden. Piet’s reputatie daarentegen is nu geheel naar de Filistijnen en niets lijkt daar meer verandering in te kunnen brengen.

commissie_copy1

HET HEDEN.

Minstens acht jaar later.

Piet is na diverse omzwervingen werkzaam in een andere gevangenis. Hij is nu communicatiemedewerker. De jaren van die eerste werkplek lijken ver weg en Piet denkt nog maar zelden aan die tijd.

Natuurlijk valt er altijd wel wat aan te merken op zijn huidige baan maar zo op de keper beschouwd bevalt het hem en, als het goed is, hij de werkgever. Desondanks besluit hij, na drie jaar dienstverband, het eens ergens anders te proberen. Niet omdat hij het slecht heeft, integendeel, maar gewoon om te kijken of hij het nog kan. Of béter kan.

Het toeval wil dat er in een gevangenis, iets verderop, een communicatieadviseur wordt gevraagd. Piet besluit te schrijven en na wat dubieus mailverkeer (“Ik hoor niets. We zijn inmiddels drie weken later. Kunt U mij vertellen hoe de stand van zaken is?”) wordt hij uiteindelijk gebeld en uitgenodigd.

De mevrouw aan de andere kant klinkt niet blij en kan niet lachen om de grapjes van Piet. Niets aan de hand want Piet’s humor wordt niet altijd begrepen.

Enfin. De dag is genaderd. Strak in ’t pak, de haartjes glad, een map met benodigde papieren onder de arm en goed gehumeurd gaat Piet onderweg. De rit blijkt langer dan verwacht. Piet vraagt zich nog af of dit niet gaat vervelen wanneer deze reis dagelijks wordt ondernomen maar soit… wellicht compenseert de toekomstige vreugde in het werk dit ‘leed’.

Na de benodigde formaliteiten bij de ingang van de gevangenis mag Piet naar binnen. Een lieftallige, enigszins mollige dame staat hem op te wachten bij de ingang, naar later blijkt een directiesecretaresse, en zij leidt hem naar de tweede verdieping van het antieke pand. Enkele minuten later wordt hij een ruimte ingeleid waar drie mensen kantoor houden.

Nog voordat Piet een hand uit kan steken wordt hem verzocht even te wachten op de gang.

Prima’, denk Piet, en gaat zitten op een stoel naast de deur, in de gang. De secretaresse biedt hem een koffie aan en hij besluit nog even snel de vacature door te nemen. Voor het geval dat. Onnodig, denkt hij, want het gaat tenslotte om een zelfde functie zoals hij deze nu bekleedt, dus wat zou er mis kunnen gaan..

Nog geen minuut later, onze Piet heeft nog maar amper zijn map opengeslagen, komt een bebrilde man uit het kantoor en vraagt hem binnen te komen. Eenmaal binnen neemt de beste man plaats aan een ovaalronde tafel waarna ook de andere deelnemers bij de tafel aanschuiven.

‘Bril’ is een man van middelbare leeftijd, keurig gekleed, en heeft een gedistingeerde look. Naast hem een dame van wederom middelbare leeftijd, zo iemand die onopvallend naast je zou kunnen staan in de metro maar direct weer zou vergeten. De derde persoon is anders. Piet kan haar niet thuis brengen. Zij heeft platinablond, ultrakort geknipt haar en draagt -heel opvallend- een beveiligingsuniform. “Een beveiligingsmedewerker?”, vraag hij zich nog af; “bij een sollicitatiegesprek? Van een communicatiemedewerker? Opmerkelijk..

Ze heeft een ongekende felheid in haar ogen en lijkt, net als die andere twee, niet te kunnen lachen. Laat staan de glimvariant. Voor Piet goed en wel er achter is wie zij is en waarom zij hier bij zit, wordt hem gevraagd plaats te nemen.

Hij is nerveus, zeer tegen zijn doen want hij heeft tenslotte niets te verliezen, en deze onzekerheid wordt gevoed doordat men geen van allen kan lachen om zijn ‘grap’ dat de enige plek tegenover de inquisitiecommissie natuurlijk de stoel in het midden is (“Ha, ha!”) Sterker nog; men lijkt collectief  gespannen. Er volgt een voorstelronde maar die ontgaat hem volledig; wie is zij toch? Plots zegt ze: “Misschien ken je me nog. Uit die-en-die gevangenis. Ik ben Eva. Vrouw van Peter…

Oh ja; Peter. Piet herinnert zich hem. Een onaangenaam haantje wat om wat voor duistere reden dan ook het tot teamleider van de beveiliging heeft geschopt. Eva -echter- kan hij nog steeds niet plaatsen.

De dame in het midden laat er geen gras over groeien. ”Waarom deze gevangenis?”, vraagt zij resoluut. “Waarom de ònze?” Piet zegt: ”U had een vacature en ik ben op zoek. Vandaar.

Ze kijkt verbaasd.

Piet vervolgt: “Bovendien heb ik al aangegeven in mijn brief dat  ik wel weer eens wat anders wil. Anders dan waar ik nu werk. Een andere sfeer. Ander regime.” Dit antwoord zint haar kennelijk niet. Er valt een stilte.

U heeft zich niet verdiept in onze inrichting?” vraagt Eva plots en bewaart haar professionele afstand door niet te gaan tutoyeren; “Heeft u onze site bekeken? Intranet?” “Zijdelings.”, zegt Piet maar denkt; “Een bajes is een bajes. Ken je er één, ken je ze allemaal.

Niet alert genoeg om te reclameren dat deze gevangenis geen site heeft (..). “U zegt dat wij ‘boefjes achter de deur sluiten’ in tegenstelling tot uw gevangenis. Dat klinkt bijzonder denigrerend. Bent u op de hoogte van de MGW? Weet u wat er zich in het gevangeniswezen afspeelt, de laatste jaren?

Piet slaat dicht.

De felheid waarmee Eva hem het vuur aan de schenen legt overrompelt hem. Haar collega’s vullen haar aan.

Ik kan wel zeggen bijzonder geïrriteerd te zijn door de constatering dat u enthousiasme ontbeert. Deze functie is onontgonnen gebied voor ons en wij willen dat iemand met daadkracht en kennis van zaken deze vervult.” zegt de vrouw van middelbare leeftijd, “Dit heb ik nog nooit meegemaakt!

Piet kan er nog nét een “Mijn passie en enthousiasme blijken uit mijn werk.” en een “U vraagt een communicatiemedewerker en ik ben er één.. ” uitbrengen maar het lijkt te laat. Het kwaad is geschied; het lijkt ‘hen’ beter het gesprek te beëindigen.

Piet staat op het punt om zich uit de voeten te maken maar niet nadat hij een ieder, uit goed fatsoen maar met grote tegenzin, de hand heeft geschud. Bij Eva blijft hij even staan. Terwijl hij haar hand pakt en haar diep in de ogen kijkt schiet het hem te binnen; Eva! Die Eva!

Zeg.. had jij toen niet langer haar?” vraagt hij haar. “Ja,”zegt ze nuffig: ”ik heb het wel eens langer gehad.” “Nee, dan is het me duidelijk,” zegt Piet; ”dat verklaart één en ander.

In de auto vraagt Piet zich af wat er zich in hemelsnaam net heeft plaatsgevonden. Om vervolgens hardop te gaan lachen. Tot tranen-met-tuiten toe bewogen start hij de auto om met een glimlach huiswaarts te rijden. Hij wél.

3 reaksjes

  1. beemen woensdag, 22 juni 2011 - 9:40 / 21:40

    Dit lezende kan ik opmaken dat ik Piet niet hoef te feliciteren? Jammer te horen voor Piet. En ja, duidelijk een verkeerde humor op de verkeerde plek.

    Die Piet………

  2. Jet donderdag, 23 juni 2011 - 3:56 / 15:56

    Hahahahahaha, hoe surrealistisch. Kut voor Piet, maar eigenlijk een reuzenmop.

  3. Swan vrijdag, 24 juni 2011 - 11:52 / 11:52

    Hahahahahaha, ik ben dol op ‘fictieve’ verhalen. Arme Eva, wat zal zij een kutleven hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *