De boot gemist

Naamloos-1Nu ik zo onderhand élke porie in mijn muren ken, precies weet waar welke stofwolk waar in huis ligt, de spinnen aan mijn plafond zelfs een naam heb gegeven en ik voor de drie miljoen vierhonderd zes- en dertigste keer mijn ramen nog maar eens heb gelapt, komt de mail als een Godsgeschenk binnen.

Omdat ik een perskaart bezit en een beetje fotografeer mag ik mezelf officieel journalist noemen en ben derhalve ooit eens op de uitnodigingslijst terecht gekomen van het Rotterdams Havenbedrijf. Dientengevolge ontving ik afgelopen week de uitnodiging de Cosco Pride te gaan bekijken. De Cosco Pride is een heule grote boot, is zoals dat zo mooi modernistisch heet heul ‘duurzaam’ en dat wil men weten ook. Dan nodig je een zootje journaille uit en maakt dit gegeven wereldkundig.

Enfin. Ik denk; ‘Leuk; een grote boot!‘ en besluit te gaan. Foto’s maken.

Zaterdagmorgen. Ik onderweg. Omdat één en ander op de zeebodem plaatsvindt heeft TomTom wérkelijk geen idee waar havennummer 9730 is, laat staan de Maasvlakteweg 951. Ja, nummer 124 wel maar dat scheelt ongeveer 827 huisnummers. Gelukkig is men zo vriendelijk geweest om de verkeersborden een havennummertje mee te geven. Een uur van tevoren vertrek ik zodat ik ruimschoots op tijd zal zijn.

Denk ik.

Het gaat onderweg al mis want m’n auto rijdt ‘op drie poten‘. Schijnt iets met bougies te maken te hebben met het gevolg dat dat loeder niet vooruit te branden is. Anyway; met 90 kilometer per uur over een snelweg waar je 120 mag is geen pretje maar schijt aan mijn medeweggebruiker. Inhalen is echter wél een crime en bij viaducten omhoog een ware tantaluskwelling.

Dank U Heer; volgens de ANWB ben ik er bijna. Ik ben nu in een gebied wat het beste valt te vergelijken met de Sahara maar dan gecultiveerd d.m.v. één lantaarnpaal en één stoplicht. Ik rochel door. Havens 8700 – 8800. Havens 8400 – 8500 (tegenvaller). Havens 8300 – 8350 (huh?). Havens 9200 – 9900 (Hail Mary!).

Mijn benzinelampje begint vervaarlijk te knipperen en die zestien auto’s achter me negeer ik. Fuck ‘m. 90 kilometer per uur is niks mee. 9200. 9300. 9500. 9600. 9800.

Wut?

De weg houdt op bij 9800. Havennummer 9730 is van de borden verdwenen, wèg, niet-te-vinden. Ik heb nog drie minuten en, hoewel vertrokken met een halve (!) tank benzine, rijd ik nu op de dampen ervan. Heb ik weer; midden in de Botlek waar benzine zo ongeveer het hoofdbestanddeel is maar niets daarvan in mijn tank.

leeg

Vloekend besluit ik om dan maar rechtsomkeert te maken. Inmiddels alweer dertig auto’s achter me (waar komen die krengen vandààn? ‘t Is een zàndbak, for god’s sake!) en een straffe wind tegen. Gevolg; 70 kilometer per uur en een benzinelampje wat van gekkigheid niet meer weet wat het moet doen om mijn aandacht te trekken.

Inmiddels heb ik volgens de hink-stap-sprong methode de A15 bereikt en rochel door tunnels en over viaducten, mijn claxonerende medeweggebruikers volledig negerend. Halleluhja; een pomp!

Maar nee; pomp dicht. Tuurlijk, jôh; welk collectief nut dient het om te vermelden dat je gesloten bent? Overbodige informatie. Kut. Pruttel, pruttel. Afslag Rockanje. Afslag ‘s-Gravenhage. Pruttel. Richting Zierikzee. Pruttel pruttel. Benzinepomp over 1200 meter. Pruttel. De langste 1200 meter ooit. 1000 meter. Pruttel. 500 meter. Mijn blaas staat op springen. Pruttel. Ik. Moet. Plassennnnnn. Pruttel, pruttel. Pomp… gehààld! Pruttel. Uit.

Van het tanken zelf weet ik niets meer. Blanco. Wél bevind ik me ineens voor de kassa van het pompstation. Kassamevrouw is in d’r eentje bezig een grote familie van broodjes te voorzien. Nee jôh; ik heb alleen maar een volle blaas, doe rustig aan. Na vier minuten ontwaart zij mij en roept; “Ik kom zo, hoor!” Ja, ja. Ik ook als je zo doorgaat. Plassennnnnnnnn.

Vijf minuten later betaal ik mijn benzine. Mevrouw verontschuldigt zich (“Ja, ‘t is druk. Collega is lunchen. Blabla.“) Ik weet niet hoe snel ik bij de WC moet komen.

Kak! Een poortje! 

Gebruik toilet €0,50

staat er. Ik héb geen vijftig cent. Ik heb een pínpas. Kutkutterdekutkutkut. En wéér terug. Ik. Red. Het. Niet. Meerrrrrr.

Er heeft zich een nieuwe familie voor de bakkersbalie gevoegd en de kassamevrouw is nu be-hand-schoend broodjes filet aan ‘t vullen (“Moet daar zout en peper op, mevraaah?“) Ze doét het erom. De hoerrrr. Ze ontwaart me weer; “Ik kom zo bij u, hoor!” Uh-uh. Ik ben inmiddels in staat om haar eigenhandig te wurgen met d’r latex handschoentjes maar zeg keurig; “Ja, hoor; ik wacht wel even.” (..)

Ein-de-lijk; weer vijf minuten later mag ik wisselen. Op mijn sneer dat ik kennelijk tegenwoordig moet betalen om te lozen is haar antwoord; “Ja maar de toiletten zijn wel heel schoon, hoor!” Dom wicht. HET KAN ME NIET SCHELEN! IK. MOT. PISSEN! Al WAS HET IN EEN VOLLE KLIKO!

Thank. God. Wanneer ik mezelf ontdoe van mijn lichaamseigen afvalstoffen is het alsof er Engelen Zingen. Zò orgastisch als dit gaat, gaat ‘t nooit meer. Ik sta te trillen op mijn benen, m’n gevaarte losjes in mijn knuistjes, als een dwaas starend naar het plafond. Maar mijn wraak is zoet; ik vermijd de bekende vlieg in de pot en besluit een paar druppen op het randje te laten belanden. Schoon my ass. Dàt zal je leren.

Een half uur later en €75 (en vijftig cent!) armer ben ik thuis. Geen enkel duurzaam schip gezien*, wèl een hoop zand en asfalt, en thuis blijkt mijn CV ketel ook nog eens dood. De zon schijnt buiten en ik heb ‘t koud. Dit gaat ‘m niet meer worden vandaag. Vermoed ik.

Naamloos-2

*Ter compensatie van dit gemis hierbij een fotootje van de Cosco Pride. Door iemand anders.
Via Google. De hufter. 

2
Sis it mar:

avatar
  Subscribe  
Abonneren op
madbello
madbello

Vraag je niet af en toe waar je het allemaal voor doet? ;-)